€ 1.618… of Het omgekeerde van de gulden snede

munt
Om de Nationale feestdag te vieren kunnen jullie hieronder een stuk – stukje kan je dit niet meer noemen – van Egon Vlerick lezen over munten, de koning, de gulden snede, een vreemde wanverhouding en merkwaardig veel niet terzake doende opmerkingen over een bruin jasje.


Door Egon Vlerick

Van koning Filip, de koning der Belgen, heb ik een euromuntstuk gekregen van een wel heel bijzondere waarde. Ik weet niet wat de verzamelwaarde ervan zou zijn op de verzamelaarsmarkt, maar op de echte markt, de markteconomie bedoel ik (in valuta) is de munt 1.618… euro waard in echte waarde. In virtuele waarde, bedoel ik, want uiteraard is alle monetaire waarde virtueel etc. Ik heb vrienden die meer van economie afweten dan mij, die me erop zouden afrekenen, als ik hier de verkeerde dingen zou zeggen. Maar kijk, het is me niet om marxisme of economie of zo te doen – ik gebruik die termen allemaal wel, maar ik begrijp maar half wat ze betekenen. Zelfs als was er iets in de winkel dat precies 1.618… euro kostte (wat overigens niet bestaat; niets in de winkel kost precies 1.618… euro, en ik kan het weten, want ik werk zelf in een winkel) – dan nog zou ik het nooit gebruiken om ermee te betalen.

Nee, het is me erom te doen dat ik het muntstuk, 1.618… euro in één marktgereguleerd stuk, van onze koning kreeg, en ik kreeg het zomaar. Niet om te stoefen, maar ik kreeg het zomaar, en van onze koning, Filip I van België.

Maar daarmee loop ik voor op de dingen. Ik denk dat ik begonnen ben met dat muntstuk, omdat ik daar het trotst op ben. Ik weet dat het niet goed is te veel te tonen dat je ergens trots op bent, maar niemand is toch werkelijk zo blasé dat een persoonlijk geschenk van een monarch hem niets doet. Ik ben om te beginnen al niet zo bescheiden, maar ik voel het denk ik hier (hier zeker) goed aan dat het zelfs een beetje blammerend en ondankbaar zou zijn om er geen gewag van te maken.  Ja, ja, er waren ook de mysterieuze omstandigheden die eraan vooraf gingen, en de mogelijk wereldschokkende revelaties die alles wat we in wereld en wetenschap meenden te weten op losse schroeven zet. Als ik het niet vermeld zullen er velen kwaad zijn, die zich in deze dingen interesseren, en dat zijn er nogal een hoop. Het is voor jullie dat ik het doe, voor jullie dat ik zal vertellen, wat me zelfs aan de hele historie niet zo veel interesseert. Ik zal ze dan ook maar vertellen, omdat sommigen anders niet mee zouden zijn met mijn verhaal. Maar vertel dat van die fysica-op-schroeven-zettende mysterieuze omstandigheden niet voort aan mijn goede vriend Ewan, want in tegenstelling tot de vele anderen die het interesseert, interesseert het Ewan allemaal een beetje te veel misschien. Bespaar me dus gênante gesprekken met Ewan, en wees discreet met wat je te weten komt. En voor wie zich – begrijpelijk – enkel interesseert aan het stuk met de koning; dat staat op het einde.

 

***

 

Elke wiskundige kan je zeggen dat de werkelijkheid bestaat uit verhoudingen, dat de wereld uit wiskundige verhoudingen is opgemaakt. Dat betekent niet zo veel natuurlijk, want elke bioloog kan je zeggen dat alles wat leeft gedetermineerd is door de evolutie, en welke econoom heeft het niet over de homo economicus? Ze kunnen niet anders, en de psycholoog qua psycholoog kan helemaal niks anders zeggen. Dat deze wetenschapsmensen alle aangetroffen fenomenen, als ze ze aantreffen, enkel kunnen een plaats geven in een deterministisch kader binnen hun discipline, dat begrijpt u wel. Als ze iets anders doen, zijn het misschien geen fatalistische zwijnen meer, maar houden ze tegelijk op goede reductionistische wetenschapsvorsers te zijn.

Het is echter de wiskundige die ik hier, een beetje met tegenzin, navolging moet geven, want op een erg vervelende manier was ik zelf een soort wiskundige, en dat zeker voor anderhalve maand. Het beviel me geen beetje, en dan bedoel ik het niet op de manier waarmee een vijftien jaar jongere Egon zou gezegd hebben dat hij de wiskundelessen wat stom vond. De wiskundelessen hielden op nadat het lesuur om was, en zelfs de wiskundige kan, als het hem of haar echt tegen steekt, de passer en de grafische rekenmachine neerleggen om een wandelingetje te maken of om op café een dagsoep te gaan drinken.

Anders dan deze wiskundige, en anders dan de schoolgeplichtigde Egon, zag ik werkelijk niks anders dan één enkele verhouding. Non-stop, erg vervelend, want het was niet zoals je constant je eigen neus ziet, of je brilmontuur, of je oogleden (binnen het korte interval dat ze over je ogen schuiven en terug). Het aangename van constant je neus te zien, is dat het went, zodat je het helemaal niet meer ziet. Nog iets fijns – want er is veel fijn aan een neus te hebben – is dat niet alles een neus is, en niet alles je aan een neus doet denken, alle Gogols van deze wereld ten spijt. Het is iets waar we niet stil bij staan, maar we mogen nogal van geluk spreken dat niet alles nasaal is, omdat we nu eenmaal een neus hebben.

Wel, niet zo dus met die wiskundige verhouding, die alles-kleurend was. Dit was het soort verhouding dat je altijd zag, die nooit wende, en waar werkelijk niks aangenaam aan was, want zelfs het uitoefenen van de zelfcontrole om de verhouding te proberen niet te zien was er lelijk door. Probeer je geest op andere gedachten te brengen, zelfs op kalme wijze, niet geforceerd, en de verhouding van zelfs de wil tot de geest wordt er een lelijke, en de zelfbeheerste kalmte is er een verpeste.

Ik ben gezegend met een zekere houten-koppigheid wat betreft geheimzinnige dingen, en dingen in het algemeen. Hoewel ik dagelijks met geheimzinnigheden bestookt wordt, laat ik er mijn slaap niet voor, en ben ik meestal niet oplettend genoeg om de zaak ter grond uit te spitten. Als Liesbeth mij vraagt, wat vind je van het nieuwe matje in plaats van het vorige in de badkamer?, zal mijn antwoord zijn, Wat?, of, eloquenter: oh, ah, daar was een matje?

Een oplettender man en een serieuzer vorser kan al het vreemde in deze wereld tot een obsessie laten aangroeien, en eraan ten gronde gaan. Maar ik ben blij als ik een nieuw katoenen jasje kan dragen, of – zoals op het moment waarover we spreken het geval was – kleine problemen met desbetreffend jasje vroeg kan anticiperen en er kordaat een oplossing voor zoeken. (De knopen waren te donker, te dicht aanleunend bij het nogal modderachtige bruin van de stof, waardoor de knopen wegzinken tegen de achtergrond en een te groot bruin vlak vormen, en waardoor Liesbeth opmerkte, terecht opmerkte, dat het leek alsof ik de broek die erbij hoorde ben verloren. Kijk, ik ben vergeetachtig, maar mijn broek, die vergeet ik niet. En zie, de crèmekleurige knopen, die er veel beter bij horen, liggen klaar om de onzichtbare bruine te vervangen. Onthoud dit misschien maar, het kan nog van groot belang zijn: bruine knopen zijn leuk op blauwe of grijze jasjes, maar als de stof zelf donkerbruin is, verzuipen ze in de achtergrond. Je zoekt de esthetiek van een espresso met een fijn cremalaagje Waar was ik? O ja, het plezier in dat soort dingen, dat houdt de mysteriën ver weg naar de achtergrond van het bewustzijn. Het is een fijne stompzinnigheid, wellicht waardoor ik me altijd goed op mijn gemak voel, dat niks van wat ik tref me zo frappant of ongewoon voorkomt dat ik er onheimelijk van word. Die gekleurde bril, de beperktheid van onze visie, waar iedereen maar over zeurt, die bril staat mij net heel goed.

Ik ben dus van nature goed gewapend tegen het zien van de diepere dreigender lagen van het universum; maar waar het hier om gaat, die wiskundige verhouding, was sterker dan zelfs mijn luiheid en onaandachtigheid. Het was niet door jarenlange studie (ha!) dat ik deze ontzagwekkende verhouding plots trof, maar gewoon, terwijl ik de afwas aan het doen was. De duidelijkste bewijzen van sporen dat iets hogers tot me wil spreken ben ik staat niet te zien, maar de lelijkheid van die snertverhouding was te scherp, te accuut, en het stak me dat het pijn deed.

Klinkt niet aangenaam of mooi? En niet strokend met het beeld dat ik zonet van mezelf schetste als iemand die zijn gemoedsrust niet laat verstoren? Wel het was niet aangenaam of mooi. En het was niets waar zelfs mijn gecombineerde onoplettendheid, luiheid en zelftevredenheid tegen opgewassen was. En niets was mooi, gedurende anderhalve maand (ongeveer).

Een vriend zei me in een koffiehuisje waar ik vaak kom – reclame ga ik hier niet maken – dat ik eens mindfulness kon proberen. Hij zegt altijd  dat ik mindfulness moet proberen, ook als er me geen bovennatuurlijke wiskundige doorns (doornen?) in het oog zitten. Terwijl ik hem antwoordde dat ik het misschien eens een kans moest geven, leken de kraaiepootjes naast zijn ooglid op de strepen op zijn voorhoofd, op die ene wolk die raakt aan een andere, leek op de vlek koffie op de broek die ik thuis in de wasmand had liggen, op de toon van zijn stem, op de drie haren op de nek van een andere koffiedrinker die zich onzorgvuldig had geschoren, leek op de val van mijn eigen oogleden op henzelf, op de barst in één van de scherven van het bord dat ik liet vallen toen ik de afwas deed, op de koffievlek op de revers van mijn jasje (hé dat zijn twee koffievlekken; een katoenen jasje wint daardoor aan karakter op een manier dat een wol-zijden mélange dat nooit kan hebben) – alles leek doorheen één verhouding, een misselijkmakende verhouding, met elkaar verbonden. Alles was één, zeg maar, en het was geen zicht.

Het bord dat ik tijdens die betreffende afwas liet vallen was niet behekst, daar ben ik zeker van, daar zal het niet aan gelegen hebben. Dit is niet het verhaal van een behekst dessertbordje, waarvan L- er vier had en nu nog maar drie. Dat zou gewoon 4/3 drie zijn, een verhouding waar werkelijk niks sinister aan is.

De oerlelijkheid van deze wiskundige verhouding (waar het wel over gaat) was er al voor die barst in het bord, voor dat bord er was, voor er tijd was en voor het universum een ding was, om het met een jong idioom te zeggen. Er waren geen bomen, geen mensen, geen bloedneuzen en nog zeker geen daim laarsjes en losse modderkleurige jasjes, voor wie zich dat durft voor te stellen, want ik spreek van een volledig andere tijdschaal, voorbij alle tijd die we kennen. A priori, zeg maar, een lelijkheid die in geen cultuurproduct te vinden is, en zelfs niet in de natuur, maar die een afzichtelijke wanstalte is, die vóór de mens bestond, en vóór de natuur. Wie meer platonisch aangelegd is zou zeggen dat het de vorm van het lelijke betreft.

Het is alsof iemand een (of de) omgekeerde hoek berekenend heeft van een bepaalde gegeven hoek. Het is dus niet zoals een loutere afwijking van het renaissancistische summum van het schoonheidsprincipe, maar een diametrele (of is het diametrale?) tegenstelling aan de gulden verhouding. Ik gebruik die woorden wel, maar ik begrijp ze maar half, weet je, zoals ik al zei. Sommige moeilijke woorden laat ik vallen ik in de hoop dat iemand die ze wel begrijpt me hoort en ze me misschien eens uitlegt. Ik mag me niet te veel laten verleiden om de dingen uit te leggen, want daar komt enkel onzin van. Sommige mensen hebben daar misschien de zin en de tijd voor, maar ik niet. Nou goed: de tijd heb ik wel (ik heb heel veel tijd), maar de zin gewoon niet echt.

Maar kijk, ik ga dus niet alles uitleggen. Wie precies wil weten hoe het precies wiskundig in elkaar zit met dat met dat a priori lelijkheidsprincipe moet zelf maar eens zijn hele wereld laten verzieken door een kwaadaardige voorhistorische verhouding. Ik raad het persoonlijk niemand aan.

 

***

 

¨Het lelijke heeft zijn eigen principe, net als het schone, alleen is het lelijke blijvender; het schone momentaan, uniek en aan de tijd en ruimte gebonden waarin ze zich voordoet. Het schone kan gecultiveerd worden, zodat je haar uitdijende aura langer met je mee kunt dragen – maar het blijft vergankelijk; het lelijke blijft aanwezig. De herinnering aan iets lelijks is zelf ook lelijk.

De gulden snede is een harmonische verhouding, die het geheel schijnbaar ongemerkt aangenaam maakt. Wie met dergelijke perfectie in aanraking komt kan er niet meteen de vinger op leggen waarom de verhouding zo esthetisch is. De perfectie verbergt zichzelf, het perfecte van de verhouding gaat op in een soort aura dat uitbreidt tot ver buiten de wiskundige vormen van het object van waar het vertrekt. Het straalt over op alles dat erbij in de buurt komt, de aangrenzende bomen, het hele gebouw. Een mooie das, smaakvol gekozen, straalt over op de drager. Het steekt het oog van de toeschouwer aan, maar het steekt zacht aan, helemaal niet scherp. Zijn blik zelf wordt harmonisch, het sterkt aan al wat schoon kan zijn.¨ Ja, aan het woord is Filip, Filip I, de koning der Belgen (!)

¨Ware harmonie is onzichtbaar, omdat ze volledig opgaat in het object, de omgeving, het leven en de toeschouwer. Hoe anders is het, met het omgekeerde van de gulden snede, als ik het zo mag noemen. Het omgekeerde van de gulden snede, dat snijdt diep in wie het ongeluk heeft het waar te nemen. In tegenstelling tot de zachte, onzichtbare harmonie van de gulden verhouding is deze verhouding duidelijk, afgetekend, lelijk. Het is scherp afgetekend, en het maakt al het andere doffer, zoals een buikkramp alle andere sensaties doet verstommen en naar de achtergrond doet verdwijnen. Alles wordt lelijk als je er maar wat lelijks naast zet. Het schone wordt gedragen in de voorbijgaande vergankelijkheid van het leven; het lelijke komt van buitenaf, als een indringer.

De gulden snede, in tegenstelling tot wat de Ouden dachten, is niet op eenduidige manier gemanifesteerd in de wereld, als een eigenschap van de dingen; het blijft een ideaal, iets onbereikbaars, en zoals elk ideaal een graan op de vruchtbare compost van de menselijke geest. De lelijke verhouding, die er niet zou mogen zijn, heeft die concretitude wel. In de kalme gewaarwording van harmonie lijkt het schone eerst van de dingen zelf te komen, terwijl verdere reflectie te denken geeft dat wat we aan schoonheid waarnemen tegelijk ook ons eigen vermogen tot schoonheid is. Het omgekeerde van de gulden snede is scherp, omdat niets in ons ermee harmonieert; het komt werkelijk van elders.

Enkel een even concrete manifestatie van de gulden snede kan dit tegenwerken, enkel de absoluut schone verhouding van de gulden snede, diametraal – of is het diametreel? (¨Ik weet het ook niet, sire¨) – tegengesteld aan de aartslelijke verhouding waar jij mee geplaagd bent. Wacht, ik ben mijn zin kwijt.¨

¨Diametraal tegengesteld aan deze anti-gulden snede…¨

¨Juist, of diametreel. Weet je wat, dit was genoeg metafysica voor deze ochtend. Spinoza zegt – wacht, ik heb wat voor je, eh, mijn trouwe onderdaan.¨

Hij was mijn naam vergeten, denk ik. Is het misschien om deze reden dat iedereen die audiëntie verzoekt aan het hof, zo´n opgespeld naamkaartje moet dragen? Ik had er zelf zo geen op, omdat de koning dat zelf verboden had aan de lakei. Toen ik me had aangemeld op het paleis, had de koning me uitgelegd: ¨Kijk, wie hier binnenkomt moet zo´n naamkaartje op, maar iedereen weet dat ze de revers beschadigen¨ Het was hem zeker niet ontgaan dat ik mijn bruine jasje droeg, dat aardig ingedragen begon te raken. ¨Maar dit is België, natuurlijk, ze doen maar gewoon wat ze moeten doen, en hoewel ik zelf al regelmatig heb aangegeven dat het beter zou gaan met van die naamkaartjes op magneetjes, is het blijkbaar geen prioriteit. Het parlement moet ook akkoord gaan, natuurlijk. Ja, elk zijn bevoegdheid, en zo hoort het ook in een constitutionele monarchie. Het is ook maar de mening van een vorst, maar de huidige regering vindt het blijkbaar niet erg, dat wie hier drie keer op audiëntie komt revers heeft als een zeef. Het is wel bij mij dat ze op audiëntie komen, en niet op de Wetstraat. Laat dus dat speldje maar, Melcior¨ – de lakei, die de hele tijd respectvol de stilte had bewaard, net als ik, overigens – ¨en laat dat naamkaartje voor de volgende Egon Vlerick die ons bezoekt. Kijk nou, ik heb zijn naam zelfs al onthouden. Gooi het weg! Of nee, hou het toch maar, voor die volgende Egon Vlerick.¨

Om zijne koninklijke hoogheid nu dus niet in verlegenheid te brengen omdat hij mijn naam vergeten zou zijn en er naar zou moeten vragen, gaf ik hem een stuntelig voorzetje: ¨Ik zei vanochtend nog tegen mezelf, Egon Vlerick, je weet dat koning Filip  zijn Spinoza kent waar het telt, hij weet raad.¨

¨Juist, juist, Spinoza,¨ mijmerde hij, ¨maar begrijpen is een iets, het probleem verhelpen iets anders.  Melcior, breng Egon Vlerick wat te drinken.

Kijk, ik hou van mooie dingen, zeker als mijn koninklijke beeltenis erop staat. Hoe zou je zelf zijn? Tuurlijk kunnen jij en ik naar believen op de site van BPost zulke postzegels laten drukken waar je gezicht op staat. Nou ja, vooral jij dan, want voor mij zou dat weinig zin hebben, niet?

Ik heb die zelfklevende postzegels per vel te koop van BPost wel nog gebruikt, maar er is toch veel niet in orde aan. Zelfklevende postzegels zijn voor mensen zonder speeksel. Die ¨stickers¨ blijven onaangenaam aan de tong kleven, en die lijm kan toch ook niet gezond zijn. Veel verzamelen is er ook niet aan. C´est du fake.

Maar goed, jij bent hier niet voor de filatelie, maar integendeel heb ik je te spreken over iets van numismatieke aard. Munten zijn zeker mijn favoriete aspect aan de munteconomie, zie je.¨

Ik had aan dat over de post graag nog willen toevoegen, dat ik de zelfklevende postzegels van BPost ook erg vreemd op een vind velletje zitten. Ze hebben ze zo gezet dat er maar twee zijden gekarteld zijn van de vier, de andere twee zijn recht. Waarom dan niet meteen gewoon vierkante zegels zonder franje? Nu zeggen ze van mij soms dat ik half werk lever, maar achter die halfslachtige postzegels van BPost zit toch wel iemand anders, die ofwel lui is, ofwel niet het beste voor heeft met de mensen. Maar ik zei het niet, omdat zijne hoogheid dit wellicht al vele malen eerder heeft moeten horen.

De koning sprak: ¨Nee, de ene koninklijke beeltenis is de andere niet. Kijk deze munt: hier sta ik er goed op, in tegenstelling tot – in tegenstelling tot die velletjes zelfklevers die je bij BPost kunt kopen. Met die rare half-gekartelde hoeken, het lijkt alsof ik naar mezelf kijk in een spiegel waarvan het kader halfweg de productie is achtergelaten, en die bovendien maar wat vreemd tegen de muur plakt, in plaats van mooi opgehangen. Als ze dan toch geen gegommeerde postzegels willen, waarom dan niet voluit gaan en er gewoon vierkante stickertjes van maken, dat vind ik dan.¨

En daar stemde ik hartelijk mee in. Kijk de vorst is iemand in wie men zich moet herkennen, anders staat hij maar ver van zijn onderdanen. Een knap piloot ook, naar het schijnt.

Ik bedankte ondertussen Melcior voor een tasje bruisende koffie (hoe ze dat op het koninklijk paleis voor mekaar krijgen heb ik nooit kunnen achterhalen).

¨Wat ik hier heb is een munt uit mijn persoonlijke reserve; ik denk dat het precies is wat je nodig hebt met die vervelende kwade verhouding van je. Hier, het is voor jou.¨

Filip (I) haalde uit een kistje een muntstuk en overhandigde het me. Ik zei nog ¨mooi kistje, leuke voering,¨ want ik had gezien dat de binnenkant netjes was afgewerkt in rood-geel-zwart.

¨Danku, een kerstcadeautje van Melcior vorig jaar. Kijk even goed naar dat muntstuk, je zult zien dat het niet zomaar wat is.¨ Het klopte wat hij zei; het was een stuk van 1.618… euro, wat ik nog nooit had gezien.

¨Het is een volledig marktgereguleerd stuk, geslagen door het Europees Monnetair Fonds. Het is eigenlijk een munt die ze geslagen hebben om het goed te maken voor een fout die ze gemaakt hebben. Van het EMF hadden ze kort na de kroning – de mijne – wat portrettisten gevraagd me te fotograferen, om te dienen bij het ontwerp van de nieuwe één en twee eurostukken. Ze hebben me dus gewoon van mijn verkeerde kant afgebeeld, terwijl ik er toch met aandrang naar gevraagd heb om me van mijn fotogenieke zijde af te beelden. Ter verzoening hebben ze nog voorgesteld of ze het beeld niet moesten spiegelen, maar dat loste toch werkelijk niets op?

Enfin, de honderden duizenden munten waren al geslagen, en je kunt toch moeilijk vragen dat ze al dat werk opnieuw doen. Ik bedoel, je moet toch een beetje mild zijn, economen kunnen ook eens een fout maken. Wat je hier ziet zou je dus een gelegenheidsmunt in beperkte oplage kunnen noemen, en op mijn verzoek hebben ze er stukken van 1.618… euro van gemaakt, wat ze gezien de omstandigheden toch niet konden weigeren. Ik denk dat dat wel eens precies zou kunnen zijn wat je nodig hebt om die vervelende wiskundige verhouding op te heffen; je moet het me maar laten weten of het wat hielp. Leg het zeker ook eens naast een gewoon twee euromuntje, en let er maar op dat ik er van linksaf bekeken toch stukken beter uit zie, vind je niet? Wat een goed statieportret toch niet doet. Er zijn dagen dat ik niet voor de spiegel kom, en dan is een flatterende koninklijke beeltenis wel precies wat ik nodig heb. Hopelijk doet het voor jou ook wat je nodig hebt.¨

Nu wil ik het voorval ook niet overdrijven en zeker ook niet minimaliseren. Het is niet dat hij zijn énige exemplaar van die munt aan mij heeft geschonken. Ik bedoel, hij had er nog een stuk of tien. Maar tien is ook niet zo veel, dat bedoel ik, en ik heb het toch maar mooi van hem gekregen. Je moet het in het juiste perspectief bekijken, en zeker niet verkeerd. Niet zijn enige unieke exemplaar, maar toch maar mooi een van de tien (of zo, maar ik weet het niet zeker) enige exemplaren. O ja, en het is ook gelukt, met dat muntstuk. Wat de koning der Belgen vermoedde, zo was het ook. Het bijzondere muntstuk met als waarde precies de gulden snede had al voor ik het paleis verlaten had de wereld terug een mooie plek gemaakt.  Ja, het is makkelijk te zien waar zijne majesteit zijn Spinoza achter de kiezen heeft!

Als laatste wil ik nog aandragen, dat mijn navertelling van wat er gebeurd is erg rommelig is en zelfs een beetje samenhang mist. (Ik ben liever zelf degene die er als eerste over begint.) Dat mag toch als voldoende bewijs dienen, dat ik van de kwaadaardige verhouding verlost ben? Erg schrikbarend zou het geweest zijn, als nu achteraf zou blijken, de tekst eenmaal op papier, dat ze dezelfde verhouding zou vertonen als die tussen de drie stroken op de Belgische vlag, en die vlek op de broek van die man in de koffiebar. Er is echter geen gulden snedetje te vinden, ja zelfs niets van een aristotelische plotopbouw. De slordigheid van mijn verhaal bevestigt de waarachtigheid ervan. Mijn bruine jasje bijvoorbeeld, zijn daar ooit nog die knopen van vervangen? Of dat met die magnetische pins, zijn die er ooit nog gekomen? Dit verhaal heeft zelfs meerdere titels; welke titel is dan de enige echte? Allemaal losse eindjes, waar ik slecht aan zou doen om ze alsnog aaneen te knopen of los te knippen.  Ik wil maar zeggen, de oplossing die de koning me aanreikte heeft opgelost wat het oplossen moest, en niets meer. Omdat dit verhaal geen volledig in zichzelf gesloten, afgerond geheel vormt, geeft het met vele openingen uit op de slordigheid daarbuiten; op het leven zelf. Want is het leven zelf niet maar een slordig boeltje?

Appendix: ¨Nog één iets, meneer Vlerick, over die postzegels nog eens.¨

Net toen ik op het punt stond de koning te laten, en hem verder niet te storen in zijne koninklijke bezigheden, wenkte hij me terug.

¨Het zijn trucs als deze die de mensen vergeten zijn. Kijk, ik zetel ook wel in de bestuursvergadering van BPost – mijn gezicht is tenslotte ook het hunne – maar ik zou je graag ook nog wat raad geven. Als je iemands verjaardag vergeten bent, bel niet stuntelig om je te verontschuldigen. Schrijf net dan in alle kalmte nog een brief, en veins de datum op een dag of twee voor de verjaardag, en doe hem gewoon nog op de post. Het is niet de eerste keer dat een brief verlaat zou toekomen, onthoud dat goed. Dat is belangrijk, dit soort dingen, je moet niet zomaar mensen hun verjaardag vergeten, en doe je het toch, probeer het dan zo frictieloos aan te pakken, dat niemand gezichtsverlies moet lijden. Wat je dan weer niet moet doen, is om in je brief een bijgesloten biljetje van twintig euro te vermelden, en dan zelf de enveloppe er opengescheurd en toe gekleefd te doen uitzien. Ze leveren nogal rommelig werk in het departement afwerking van hun postzegels, maar dieven zijn het niet bij BPost.¨

Het is goed, dat het zijn beeltenis is, gereproduceerd op die postzegels, het biedt een zekere garantie. Hij houdt ons een wereldwijsheid en integriteit voor, dat zijn dingen die ik kan appreciëren in een vorst en in een mens, en ik denk monseigneur ook, in zichzelf en in anderen.

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s